© Michiel Cotterink

Reportage Nieuwe Grond: Cultuurparlement van de Lage Landen II zo 4 sept

door: Koen Bartijn
Bekijk hier de uitgebreide fotoreportage door Michiel Cotterink.

Tijdens de eerste bijeenkomst van Nieuwe Grond (Fair Practice Label) zondag 4 september 2016 in de Stadsschouwburg Amsterdam ging het over de intrinsieke waarden die wij als mens willen uitdragen. Op de tweede dag was het tijd voor concrete politiek. Hoe, vroeg men zich af, kunnen we het kunstveld en het subsidiestelsel zodanig vormgeven, dat onze waarden een plek kunnen krijgen in de praktijk? De urgentie is groot; theatermakers lopen vast in de huidige structuren, het huidige kader biedt te weinig perspectief en de repetitieruimte lijkt, zoals Wouter Hillaert in zijn State of the Union opmerkte, nog de enige overgebleven plek waarbinnen de theatermaker volgens deze waarden zijn of haar praktijk kan uitoefenen. De vraag is: bestaat er een alternatief? Tien mensen uit het vak dachten van wel. Zij presenteerde elk hun voorstel voor een alternatief waarna er druk over werd gedebatteerd en uiteindelijk werd gestemd. ‘Het heft in eigen handen’ was het motto. Het vertrouwen in het Nederlands parlement is verdwenen dus is het nu tijd voor een eigen Cultuurparlement.

Hoewel de voorstellen verschillende aandachts- en zwaartepunten hadden, was er toch een gedeelde gezindheid te herkennen tussen al deze voorstellen. In veel van de gepresenteerde alternatieven kwam namelijk het idee van een coöperatie naar voren. Een alternatief dat bestaat uit een georganiseerde gemeenschap die vanuit een bottom-up beweging het kunstveld en het subsidiestelsel opnieuw kan gaan vormgeven.

Kan het idee van een coöperatie een goed alternatief bieden? Het past in ieder geval bij onze cultuur: Nederland heeft een rijke traditie aan coöperaties. In de achttiende eeuw organiseerden boeren zich al binnen een coöperatie om een stelsel te ontwikkelen waarmee ze gemeenschappelijk risico’s konden dekken, zoals bijvoorbeeld het uitbreken van een stalbrand. Dat wil zeggen, vanuit een gezamenlijke behoefte om risico’s te dekken werd er een collectiviteit georganiseerd, waarbij iedereen iets inlegde. Als er dus een boerderij afbrandde, waren er middelen beschikbaar waardoor deze boer gewoon door kon gaan met zijn bedrijf. Willen wij weten of het idee van de coöperatie een goed alternatief kan bieden voor het huidige beleid, dan moeten we beginnen met de vraag: in welke behoefte proberen wij hier te voorzien?

In vergelijking tot deze verzekeringsmaatschappij uit de achttiende eeuw, is het een stuk moeilijker om binnen de theatersector een gemeenschappelijke behoefte te herkennen. De behoefte is namelijk niet zo eenduidig als het dekken van risico. Op het spel staat immers niet alleen de financiële, maar ook de artistieke autonomie van de gehele theatersector. De vraag waar ik echter daarom mee wil beginnen is niet zozeer wat deze behoefte dan mag zijn, maar aan wie dit kunstveld op dit moment toebehoort.

In wezen is de grote vraag die theatervakmensen bezig houdt: ben ik wel eigenaar van mijn eigen werkomgeving? Uit de voorstellen van het cultuurparlement kwam duidelijk naar voren, dat er wel een consensus bestaat binnen de theaterwereld over wat deze behoefte is – en daarbij bestaat ook een gedeelde overtuiging over wat zij de samenleving te bieden hebben. Het huidige systeem is echter niet ingericht vanuit deze behoeften en overtuigingen van deze mensen zelf. De oproep van de kunstenaar naar de overheid was dan ook een oproep naar eigenaarschap: sta mij toe dat ik zelf eigenaar ben van mijn eigen werkomgeving, zodat ik zelf kan bepalen hoe ik mijn creativiteit wil inzetten in deze maatschappij.

Het mooie van het idee van een coöperatie is dat het individuen overstijgt. Het beleid moet immers gezamenlijk worden bepaald. Mocht zo’n coöperatie bestaan, dan zou dit bovendien niet enkel het eigendom zijn van de theatermakers, maar van alle vakmensen die nodig zijn voor het realiseren van een bepaalde theaterproductie.

In dit geval zal een kunstinstelling dus zo worden ingericht, dat iedereen binnen deze instelling kan meebeslissen over welke producties er moeten komen en hoe deze producties vervolgens tot stand moeten worden gebracht. Binnen een coöperatieve instelling moet iedereen hetzelfde gevoel hebben van eigendom en vanuit een intrinsieke motivatie hun werk kunnen doen. Mijn idee is daarom dan ook dat de eerste grote stap naar een alternatief kunstbeleid begint bij de instellingen, dat verschillende theatermakers kunnen besluiten bij welke instelling zij zich willen aansluiten en dat zij deze instelling, gezamenlijk met alle andere vakmensen die onderdeel uitmaken van dit collectief, deze organisatie vervolgens gaan organiseren. Binnen het systeem heeft iedereen nu wel de vrijheid om zijn eigen gezelschap te beginnen, maar het gaat er om dat het gehele ecosysteem van de theatersector opnieuw wordt vormgegeven. Wellicht kunnen we op deze manier voorbij het probleem van deze losse gezelschappen die steeds hun legitimiteit weer opnieuw moeten bewijzen aan de beleidsmakers van hogerop.

De volgende stap voor de instelling is dat zij moeten nadenken over alternatieve financieringsmodellen. Wellicht kan een kunstfonds op gelijke wijze worden ingericht. Eén van de ingediende voorstellen was daarom ook het idee van een coöperatief fonds met de titel Ons fonds. Iedereen uit de sector moet zich hierbij kunnen aansluiten en betaalt hier dan ook een ledenbijdrage lidmaatschap voor. Binnen dit fonds moet middels een dialoog, met de verschillende representanten uit de verschillende gelederen, bepaald worden hoe het geld moet worden verdeeld. Natuurlijk heeft dit fonds ook geld nodig. Daarbij kun je denken aan Crowdfunding, Social Impact Fonds of andere nieuwe vormen van horizontale financiering. Op dit gebied is tegenwoordig veel mogelijk, maar het is niettemin een uitdaging waar zeker ook economen voor gemobiliseerd zullen moeten worden.

De strekking is duidelijk. Hoewel er nog flink moet worden nagedacht over de vorm van een alternatief, staat het als een paal boven water dat beleidsbeslissingen niet langer genomen worden door het management, maar worden verankert in de behoeften en intrinsieke motivatie van alle deelnemers van de theatersector, onder wie theatermakers, theaterinstellingen en publiek. De deelnemers van het Cultuurparlement hadden allen de overtuiging dat het tijd is voor een nieuw begin. Niet langer hervormen, maar gezamenlijk optrekken en de kunstwereld zelf gaan inrichten. Het moeten onze instellingen en onze fondsen worden. Mark Rutte mag dan wel emotioneel worden van het luisteren naar Bach, maar hij heeft geen idee hoe je ruimte kunt bieden voor de ontwikkeling van zulke talenten. Laten we het daarom vanaf nu zelf doen.

[Foto’s: Michiel Cotterink]

Solidariteits-Top

Vakmensen uit de publieke sector presenteren een gezamenlijke verklaring

Raadzaal Stadhuis Amsterdam
vr 9 sept
Stads­schouwburg Amsterdam
zo 4 sept

Denken vanuit voorstellen, in plaats vanuit kritiek

Denken vanuit voorstellen, in plaats vanuit kritiek.
Sinds drie jaar is Nieuwe Grond een vast onderdeel van het Nederlands Theater Festival (jaarlijks in september). Een doe- en denkplatform dat wordt samengesteld door theatermaker en journalist Anoek Nuyens. De vraag die centraal staat bij Nieuwe Grond is welke rol het theater kan, moet en wil spelen in onze 21e eeuwse samenleving. Naast het creëren van tijdelijke denkruimtes waar kunstenaars, beleidsmakers en critici samenkomen, wil Nieuwe Grond ook aanjager zijn van nieuwe, eigenzinnige en prikkelende voorstellen. Het wil ruimte creëren voor nieuwe ideeën over de inrichting van onze sector, de relatie tussen kunst en politiek en de rol van kunst in de samenleving.